Met het in werking treden van het Decreet houdende het Integraal Waterbeleid (24 november 2003) nemen de provincies een nieuwe uitdaging ter harte: de oprichting en uitbouw van goed functionerende waterschappen. Voor de provincies is het waterschap een (decretaal onderbouwde) vorm van gebiedsgericht werken: alle relevante partners kunnen, vanuit hun vertrouwdheid met en kennis over het lokale en bovenlokale watersysteem, samen werken aan een goed onderbouwde beleidsvisie.
De integrale invalshoek van het decreet verruimt sterk de focus waarbinnen waterbeleidsvoering vorm krijgt. Immers, gezien het waterbeleid meer en meer betrekking heeft op ‘datgene wat zich ook buiten de oevers afspeelt’ is het duidelijk dat waterbeleid niet louter een technische aangelegenheid is.
Als democratisch verkozen bestuursniveau zijn de provincies dan ook een belangrijke partner om mee te zoeken naar antwoorden op steeds complexer wordende vraagstukken inzake waterbeleid. Zij doen dit in eerste instantie vanuit hun trekkersrol op deelbekkenniveau.
De visies veranderen het waterbeheer ingrijpend. Bij de investerings –en onderhoudswerken aan waterlopen worden nieuwe technieken en methoden ontwikkeld en toegepast. Hoog tijd om de verschillende ervaringen uit de vijf provincies uit te wisselen. Op dinsdag 24 november 2009 kwamen in het Huis van de Vlaamse provincies te Brussel 51 ambtenaren samen die in hun dagdagelijkse realiteit geconfronteerd worden met het integrale waterbeleid.
In het kader van de Vlaamse verkiezingen van juni 2009 stelde de VVP een sectordossier Integraal waterbeleid samen. U kan het sectordossier hier nalezen.
Het decreet integraal waterbeleid (18 juli 2003) is het voornaamste juridisch kader waarbinnen het waterbeleid in Vlaanderen moet gevoerd worden.Het decreet IWB biedt eveneens de decretale basis voor de omzetting van de Europese kaderrichtlijn Water in Vlaanderen.
Het decreet IWB legt in eerste instantie de doelstellingen en de beginselen van integraal waterbeleid vast. De multifunctionaliteit van watersystemen wordt hierin sterk benadrukt. Het decreet roept een aantal instrumenten voor het integraal waterbeleid in het leven, met name de watertoets, oeverzones en de instrumentenmix verwerving van onroerende goederen, aankoopplicht en vergoedingsplicht. Daarnaast bepaalt het decreet hoe de watersystemen ingedeeld worden in stroomgebieden en stroomgebiedsdistricten, bekkens en deelbekkens.
De indeling in watersystemen wordt doorvertaald in de organisatiestructuur en de planning die is uitgetekend in het decreet IWB. Het decreet IWB geeft aan hoe de overlegstructuren er moeten uitzien, hoe de verschillende niveaus het waterbeleid voorbereiden en opvolgen en hoe de bevolking hierin inspraak hoort te krijgen.
Het eerste uitvoeringsbesluit bij decreet integraal waterbeleid (DIWB), goedgekeurd op 9 september 2005, zorgt voor de geografische indeling van watersystemen door de afbakening van de stroomgebieden, bekkens en deelbekkens binnen het Vlaamse Gewest. Verder worden de noodzakelijke bepalingen tot formele oprichting van de overlegstructuren op de verschillende niveaus voorzien. Concreet betekent dit de oprichting van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) op het Vlaamse niveau, de oprichting van de bekkenbesturen, de bekkensecretariaten en de bekkenraden op bekkenniveau en de oprichting van de waterschappen op deelbekkenniveau. De provincies zijn verantwoordelijk voor de waterschapswerking, en zijn dus ook een belangrijke partner op bekkenniveau en binnen de CIW. De opbouw van die waterschapswerking en de planning vereisen de nodige afstemming rond volgende thema's:
De VVP-werking zorgde hierbij voor de nodige afstemming tussen de verschillende provincies, zodat de waterschapswerking min of meer uniform over de Vlaamse provincies verloopt.
Op 20 juli 2006 keurde de Vlaamse Regering het ontwerp van uitvoeringsbesluit over de watertoets definitief goed. Het besluit geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen voor de toepassing van de watertoets. Het besluit, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2006 trad in werking op 1 november 2006.
Op 15 februari 2006 werd op het kabinet K. PEETERS gepleit voor een zo éénvoudig mogelijk instrument, een standpunt dat ook bij de adviseringsronde bij de MINA-raad werd aangehouden. Dit werd gevolgd, want in de beslissing van de Vlaamse regering werd niet alleen het uitvoeringsbesluit goedgekeurd, maar tevens kreeg de minister de opdracht het decreet aan te passen zodat een limitatieve lijst kan opgesteld worden die bepaald welke vergunningen, plannen en programma’s een watertoets behoeven. Ook hier zal vanuit de VVP actief aan worden meegewerkt.
Naast het wetgevende kader besteedde de VVP ook de nodige aandacht voor de concrete toepassing van de watertoets.
